Zendingsbericht 10 juni 2017

Moeder van velen -Deel 1

Anastasie Ndah, Yaoundé, Kameroen

Ik ben een bijbelwerker en mijn hart ligt in het evangeliseren. Op een dag imponeerde God mij om te werken met een ongewone groep mensen. 

Op mijn weg naar werk pauzeerde ik bij de poort van het Advent kantoor en keek naar de jongens die ernaast stonden. Ik wist dat de meeste van hun dakloos waren. Of bij keuze of door omstandigheden die zij niet onder controle hadden. Sommigen moesten vluchten vanwege misbruik of vanwege oneindige armoede. Ik vroeg mij af of zij hun moeders zouden missen. Ik keerde om en liep zenuwachtig naar hun toe. 

‘Hallo,’ ik begroette hen met een lach. 

Zij keken mij raar aan, benieuwd wat ik vervolgens zou doen. 

Ik wist dat veel van deze jongens verslaafd waren aan drugs en alcohol. En ik was er zeker van dat zij allemaal honger hadden. Zij hadden een familie nodig, op zijn minst een moeder, die voor hun zorgde en hun leerde wat goed en fout is. God maakte indruk op mij om deze jonge jongens te leren kennen en Zijn liefde met hen te delen. ‘Ik ben jullie moeder,’ zei ik moedig. ‘Ik zou graag jullie willen leren kennen.’. 

Maar de jongens waren verlegen en ik was nerveus. Ook al waren zij jong, ik wist dat ik in de minderheid was en zij makkelijk mij tas konden stelen of mij pijn doen als zij doet zouden willen. Maar ik bleef lachen en praten. Ik praatte tegen hen voor een paar minuten totdat wij beiden meer op onze gemak waren. Daarna nodigde ik hun uit om mee te komen en met mij onder een boom te gaan zitten, zodat we meer konden praten. 

De jongens aarzelden, maar uiteindelijk kwamen ze mee en gingen zitten. Ik vertelde hun een beetje over mijzelf en daarna vertelde ik hun dat God van ieder van hen houdt. Ze voelden zich op hun gemak bij mij en begonnen een beetje over zichzelf aan mij te vertellen. Ik nodigde de jongens uit om volgende week terug te komen. 

De volgende maandag bracht ik eten mee. Ik wist dat de jongens altijd honger hadden, vooral dakloze jongens die waarschijnlijk voor een lange tijd geen warme maaltijd hadden gehad. De meeste van hen overleefde op aalmoes die zij ontvingen door te bedelen en kliekjes van bakkerijen. 

Ik maakte een foo-foo (een zetmeelrijke pastei van aardappelen, weegbree of cassave) en wat soep. Toen de jongens aankwamen, roken zij het eten en ik kon de glimlach op hun gezicht zien. Zij aten hongerig en wederom gingen we praten. Sommige jongens vertrouwden mij genoeg om te zeggen dat foo-foo niet hun meest favoriete eten was en vroeg of ik ook iets anders kon maken. Ik probeerde elke week het eten te variëren om op zijn tijd aan ieders smaak te voldoen. En de jongens vonden het geweldig. 

Wordt vervolgd